School en ASS: Aspienouschka’s jeugd en jonge jaren

In mijn jeugd moest je met vier jaar naar de kleuterschool. Eerdere ervaringen bij de peuterspeelzaal (waar ik van de stress alles onder kotste en mijn moeder me meteen weer mocht komen ophalen na nauwelijks een half uur) hadden mijn moeder al geleerd dat dit een zeer geleidelijk proces moest worden. En dus besloot mama om al voor mijn eerste bezoek aan de plaatselijke kleuterschool lid te worden van de ouderraad. En ze nodigde de juffen uit voor koffie. Zo werd ik langzaam maar zeker voorbereid op de gang naar school. Drie maanden voordat ik daadwerkelijk op school zou beginnen, werd mijn zusje geboren. Ergens in mijn hoofd heb ik toen de link gelegd “nieuwe baby in huis, dan moet ik wijken”. Ik heb dus heel lang het idee gehad dat ik werd weggestuurd naar school, zodat mama tijd had voor de baby. Het was dan ook niet zo heel verwonderlijk dat, toen de buurvrouw zei “oh wat een leuke baby, ik zou ook nog wel een baby willen”, ik mijn zusje oppakte en naar de buren bracht (mijn snode plan werd halverwege het tuinpad tot een einde gebracht door mama, die zelf ook enorm aan de baby was gehecht geraakt, en haar liever niet kwijt wilde).

nouske-jong

Rechtsonder zie je nog een stukje klassenfoto van de 1ste klas, ik naast de juf

Enfin, de kleuterschooltijd brak aan en behalve dat ik weigerde om me voor de gymles uit te kleden (en af en toe schijn ik ook wel wat ‘buien’ gehad te hebben), leek het verder toch wel redelijk oké te verlopen. Volgens mijn moeder was ik wel bang voor veel dingen, en speelkwartier was niet aan mij besteed, want dat vond ik, met al die rennende en gillende kleuters om me heen echt te veel van het goede, maar al met al overleefde ik het best.

Omdat dat trucje (waarbij mijn moeder kennismaakte met de juffen en meesters van school zodat ik al een beetje kon wennen) zo goed had geholpen op de kleuterschool, deed mama het voor de lagere school nog eens dunnetjes over. De hoofdmeester was onze overbuurman en alle kinderen van de buren hadden ook op die betreffende school (eentje van de drie in ons kleine dorpje) gezeten, dus die school werd het. Wel jammer, want het enige vriendinnetje dat ik op de kleuterschool had gehad, ging naar een andere school. Maar die bleef ik toch vaak zien, het dorp was zo klein en zij woonde om de hoek. En misschien was het maar goed dat ze niet bij me in de klas zat, op deze manier kon ik school en na-school heel duidelijk gescheiden houden. Want ik had in mijn klas niet echt aansluiting, en spelen met kinderen uit mijn klas was er, zeker de eerste jaren, niet bij. Het lukte me niet om bij de groepjes te horen die zich al vanaf de eerste klas vormden. In tegenstelling tot latere jaren was ik op de lagere school in eerste instantie erg stil. Ik vond leren echt geweldig, ik was zo blij dat ik eindelijk slimme dingen ging leren, maar het sociale onderdeel van naar school gaan, dat kon me gestolen worden. Ik bleef dan ook liever thuis, waarbij ik mama vroeg of ze proefwerkjes voor me kon maken, zodat ik mezelf wel kon testen, en dat ik wel kon blijven leren. Maar zonder kinderen, want die had ik daarbij niet nodig.

Achteraf gezien is dat gebrek aan aansluiting bij leeftijdsgenootjes te verklaren. Zeker als je de theorie van Martine Delfos gelooft. Zij stelt “Het is geen ziekte, zo wijst recent onderzoek uit, ook geen defect. Het is een genenpatroon dat leidt tot een vertraagde ontwikkeling.” Dit is in overeenstemming met de theorie van het socioschema van diezelfde Delfos. Volgens deze theorie is het een vertraging op specifieke gebieden en een versnelde ontwikkeling op andere gebieden. Het gevolg is een reeks uiteenlopende ‘mentale leeftijden’ binnen één persoon, de MAS1P, Mental Age Spectrum within 1 Person.”[1] Mijn ontwikkeling, ten opzichte van die van mijn leeftijdsgenoten, verliep anders. Ik was hongerig naar kennis, naar het opdoen van wetenschap. Dat op die leeftijd sociale vaardigheden belangrijker waren, daar stond ik totaal niet bij stil, ik wilde leren, en had daarbij eigenlijk niemand nodig. Echt, mijn gelukkigste jeugdherinneringen zijn de momenten waarop ik ziek thuis mocht blijven, op de bank, met allemaal leesboekjes (Pinkeltje, Wipneus en Pim, Pitty op kostschool) en een schriftje waarin mama kolommen met woordjes had geschreven, met daarachter de Duitse, Engelse en Franse vertalingen, zodat ik die kon leren. Toen wist ik eigenlijk al dat ik iets met talen zou gaan doen.

Academisch ging het allemaal best voorspoedig. Ik was niet de beste van de klas, maar zeker ook niet de slechtste. Behalve met gym dan, dat was zo’n verstoring van de dag: lopen naar de gymzaal, uitkleden, beetje rondhopsen en rennen, en dan daarna weer terug in de schoolbank. Ik was kapot na zo’n uurtje, en niet van de inspanning. Tijdens dat gymuur was iedereen zo…zo uitgelaten! Zo druk, zo rennend, zo gillend! Het was voor mij echt een aanslag op mijn humeur en op mijn energie. Toen al. Ik was dan ook op de lagere school al ‘kampioen smoezen verzinnen’ als het ging om gymles. Niet dat ik werd geloofd, door mijn moeder en de juffen en meesters, maar ik probeerde het echt elke keer. Ik wilde niet mee, de school uit, mijn kleren uittrekken waar anderen bij waren, rennen, gillen, spelen. Ik wilde in een hoekje met een boekje. Ik ben ervan overtuigd dat ik best wel had willen sporten, als dat op een andere manier was aangepakt. Nu was het zo overweldigend en bovendien altijd onaangekondigd, dat ik er niets mee kon. Dat was trouwens met heel veel dingen zo. Er was op de lagere school niet echt een vast rooster. Dat zorgde voortdurend voor onverwachte dingen waar ik moeilijk mee om kon gaan. Vooral als het ging om zaken als de schoolarts of de schooltandarts, dan werd dat gewoon ineens aangekondigd “de schooltandarts is vandaag op school”. Schoot ik meteen in de stress, ook al had mama allang geregeld dat ik daar niet naartoe hoefde. Tegenwoordig is dat allemaal anders, maar vroeger werden dat soort dingen gewoon ‘opgelegd’. Het was nou eenmaal zo.

Op een of andere manier ben ik vrij ongeschonden de lagere school doorgekomen. Ik had wel wat pesterijen, maar ik werd niet echt gepest zoals je dat soms bij anderen hoort. Ik dacht wel dat het zo was, maar achteraf bleek het allemaal wel mee te vallen, zoals ik heb verteld in het hoofdstukje over hypnotherapie. School was, voor mij, gewoon één aaneenschakeling van overprikkeling. Ik had niets met de rest van de klas, en besloot dan ook om naar een middelbare school te gaan waar, op één jongen uit mijn klas na, niemand anders naartoe ging, in een dorp nét in de andere richting dan waar de rest van de klas naartoe ging. Dat bood me de kans op een frisse start. Een nieuw begin, dat zou het worden.

Ik had een havo-vwo-advies, en in de brugklas werd er vanuit gegaan dat ik, op basis van mijn cijfers, gemakkelijk het vwo zou kunnen halen. Dat betekende dat ik zes jaar op school moest zitten, met alle drukte en stress die daarbij hoorde. Dat zag ik zelf totaal niet zitten: ik wilde naar de mavo. Dat leek me heel logisch: dat duurde maar vier jaar, in plaats van de zes jaar die het vwo zou duren. Het zorgde thuis en op school voor de nodige ruzies. Ik leek niemand van mijn rationalisering te kunnen overtuigen. Ze leken maar niet te snappen hoe logisch het was! Enorm frustrerend vond ik dat. Het liep nogal uit de hand, ik werd enorm opstandig en lastig, en toen ik twee keer in twee dagen de klas uit was gestuurd en een schorsing dreigde, vond de conrector het tijd om in te grijpen. Ik moest naar de psycholoog.

De psycholoog. Ik kwam hevig in verzet, ik wilde niet, ik was niet gek! Ik was twaalf jaar oud en ik was opstandig, boos en constant overprikkeld. Ik weet er niet veel meer van, ik heb wat gesprekken gehad, wat tests gedaan en daarna kregen mijn ouders de uitslag: lastig en hoogbegaafd kind, streng aanpakken. Ik heb er al eerder over geschreven, het viel ook samen met de scheiding van mijn ouders, en gelukkig besloot mama het advies naast zich neer te leggen. Een van de andere adviezen, met name aan het adres van mijn vader, was dat er niet meer mocht worden gedreigd om mijn pony, die ik op mijn elfde had gekregen (onder het mom van “dan komt ze op de manege toch nog een beetje onder de mensen”) te verkopen als ik me niet goed gedroeg. Wat dat betreft was ik erg blij met de psycholoog. En tot slot werd tot een compromis besloten: ik mocht in plaats van naar het vwo naar de havo. In mijn optiek had ik daarmee toch een beetje gewonnen, want de havo was toch een jaartje korter. Vanaf dat moment ging het allemaal redelijk soepel op school. Ik kan me weinig deining meer herinneren. Wiskunde was een drama, talen waren zalig, geschiedenis was ook fantastisch. Ik was duidelijk een alfastudent.  Ik had ook een gigantische faalangst. Ik wilde eigenlijk nooit meedoen aan de proefwerkweek, want ik was er zeker van dat ik zou zakken, en blijven zitten. Elk jaar kwam het als een totale verrassing dat ik toch weer over mocht naar het volgende jaar. Als ik die cijferlijsten nu zie, vraag ik me af hoe ik dat in godsnaam voor elkaar kreeg, want ik was echt goed, terwijl ik me dat helemaal niet zo kan herinneren.

Het eindexamen kwam ongeveer tegelijkertijd met onze verhuizing, van het dorp naar de grote stad. Ik weet daar weinig meer van, ik weet alleen dat ik vooral bij opa en oma thuis heb zitten blokken. Dat deed ik al vanaf de brugklas; mama had een eigen zaak aan huis, en mijn zusje was ‘nogal druk’, dus studeren was thuis moeilijk, en dat deed ik dan dus in de totale rust van mijn grootouders’ huis, waar oma de hele tijd drinken en koekjes kwam brengen. Ik slaagde, en het was een heerlijke warme, rustige zomer. Na de zomer mocht ik verder op het vwo. Ja, het vwo! Gek mens was ik, ging ik tóch nog door op die school, terwijl ik er zoveel stampij over had gemaakt dat ik dat per se niet wilde, vijf jaar daarvoor! Maar goed, die plannen liepen niet geheel zoals ik voor ogen had gehad, want toen kwam ‘de liefde’ en die gooide overal roet in. Maar daarover, en over mijn vervolgopleidingen, later meer.

[1] Martine Delfos, “Autisme vanuit ontwikkelingsperspectief”

This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

3 Responses to School en ASS: Aspienouschka’s jeugd en jonge jaren

  1. greet says:

    Och ja, autist en gym, soms rampzalig. Al dat bewegen en die bal bij balspelen. Ik ben gymjuf, voor volwassenen meestal, en ik hoor de nodige trauma’s opgelopen bij gym.Bij mij hoeven ze niet mee te doen. Ze mogen jureren, of grensrechter zijn, of het spel klaarzetten, of water inschenken voorde drinkpauze. Ze mogen in het materiaalhok zitten, of in de kleedkamer, of een radiootje in de oren…alles wat zij nodig hebben om het gymuur leuker te gaan vinden.

  2. Pingback: Tussen school en studie: de verloren jaren | Aspergers, a journey of discovery…

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s